In de taalwetenschap van de Nederlandse dialecten wordt
gewerkt met zogenaamde isoglossenkaarten. Hierop kun je zien in welke streken
een bepaalde uitspraak van woorden gevonden wordt. Zo kun je er op zien in
welke regio’s de N aan het eind van een werkwoord nadrukkelijk uitgesproken
wordt. Dat blijkt zoals te verwachten in het noordoosten van ons land te zijn. Groningers
zeggen niet ‘ete’, maar ‘eteN’, waarbij de laatste e, fonologisch een sjwa, nauwelijks maar nog net wel
hoorbaar is. Nu is dat natuurlijk een open deur, maar interessanter wordt het
wel, tot hoever in Nederland het Duitse dialect zich heeft verspreid. Zo blijkt
het stadsdialect van Kerkrade in Zuid-Limburg meer Duits dan Nederlands te
zijn, maar daarentegen het Kölsch,
het stadsdialect van Keulen, sterk Nederlandse trekken te vertonen.
Een bekende isoglossenkaart is die de grenslijn laat zien
van de uitspraak in de dialecten: oud
en old (en alt). Die blijkt dwars over Nederland te lopen: in het westen
zeggen we oud, maar meer naar het
oosten toe: old of alt. Tot in Duitsland toe. In het
westen, in Zeeland, vinden we bijvoorbeeld een plaatsnaam als Oudorp, in het
oosten, in Groningen: Oldorp.
De uitspraak old/alt is het oudst, maar we zien vanaf de 11e eeuw, te beginnen in West-Vlaanderen (dat toen nog tot de Nederlanden behoorde) een klankverandering van old/alt naar oud. Oudenaarde wordt in 1042 als Oldenarde gespeld, maar een eeuw later in 1187 als Oudenarde. Dit verschijnsel wordt vocalisering genoemd. Om het wetenschappelijker te formuleren: in de cluster a/o + l + d/t is de l in het Nederlands gevocaliseerd tot oe en vervolgens met de voorgaande korte klinker versmolten tot een ou (bijvoorbeeld: houden, goud < Duits: halten, Gold). Om het nog wat ingewikkelder te maken: bovengenoemde vorm van vocalisering is een speciaal geval: de diftongering, waarin de samensmelting van twee klinkers tot een nieuwe klank leidt, bijvoorbeeld: oe, eu, ui, ei, ou.
De uitspraak old/alt is het oudst, maar we zien vanaf de 11e eeuw, te beginnen in West-Vlaanderen (dat toen nog tot de Nederlanden behoorde) een klankverandering van old/alt naar oud. Oudenaarde wordt in 1042 als Oldenarde gespeld, maar een eeuw later in 1187 als Oudenarde. Dit verschijnsel wordt vocalisering genoemd. Om het wetenschappelijker te formuleren: in de cluster a/o + l + d/t is de l in het Nederlands gevocaliseerd tot oe en vervolgens met de voorgaande korte klinker versmolten tot een ou (bijvoorbeeld: houden, goud < Duits: halten, Gold). Om het nog wat ingewikkelder te maken: bovengenoemde vorm van vocalisering is een speciaal geval: de diftongering, waarin de samensmelting van twee klinkers tot een nieuwe klank leidt, bijvoorbeeld: oe, eu, ui, ei, ou.
Wij zeggen in Brabant dus oud, en deze heeft in de officiële
spelling van het Nederlands deze bijzondere taalstrijd gewonnen. Maar waarom
spreken we oude meestal als ouwe uit? Dat heeft met
uitspraaksystematiek te maken. Klinkers zoeken in de spreektaal de meest
gemakkelijke overgang op. Tussen ou en e staat een d, een zogenaamde dentaal,
maar deze tandletter maakt de overgang naar de e minder soepel en daarom wordt
deze maar liever weggelaten. Waardoor we ou
– e overhouden, uitgesproken als ouwe, en fonetisch ook als zodanig
weergegeven.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten