zondag 5 oktober 2014

Hé, ouwe!

Collega-vakgenoot Erwin van Gulik vraagt me om in een blog aan de lezertjes het taalkundig fenomeen oude / ouwe uit te leggen. Waarom zeggen we in de spreektaal eerder ouwe dan oude? Taalkundig gezien zitten aan deze vraag twee kanten vast: een taal-historische (gaat over de genese, de wording van de woorden) en een fonologische (betreft de uitspraak van woorden). Beide aspecten betreffen een veelvoorkomend taalfenomeen: vocalisering. Hieronder wordt verstaan het tot klinker worden van een medeklinker onder invloed van de omgeving. Ik leg dit verderop nog uit.

In de taalwetenschap van de Nederlandse dialecten wordt gewerkt met zogenaamde isoglossenkaarten. Hierop kun je zien in welke streken een bepaalde uitspraak van woorden gevonden wordt. Zo kun je er op zien in welke regio’s de N aan het eind van een werkwoord nadrukkelijk uitgesproken wordt. Dat blijkt zoals te verwachten in het noordoosten van ons land te zijn. Groningers zeggen niet ‘ete’, maar ‘eteN’, waarbij de laatste e, fonologisch een sjwa, nauwelijks maar nog net wel hoorbaar is. Nu is dat natuurlijk een open deur, maar interessanter wordt het wel, tot hoever in Nederland het Duitse dialect zich heeft verspreid. Zo blijkt het stadsdialect van Kerkrade in Zuid-Limburg meer Duits dan Nederlands te zijn, maar daarentegen het Kölsch, het stadsdialect van Keulen, sterk Nederlandse trekken te vertonen.
Een bekende isoglossenkaart is die de grenslijn laat zien van de uitspraak in de dialecten: oud en old (en alt). Die blijkt dwars over Nederland te lopen: in het westen zeggen we oud, maar meer naar het oosten toe: old of alt. Tot in Duitsland toe. In het westen, in Zeeland, vinden we bijvoorbeeld een plaatsnaam als Oudorp, in het oosten, in Groningen: Oldorp.

De uitspraak old/alt is het oudst, maar we zien vanaf de 11e eeuw, te beginnen in West-Vlaanderen (dat toen nog tot de Nederlanden behoorde) een klankverandering van old/alt naar oud. Oudenaarde wordt in 1042 als Oldenarde gespeld, maar een eeuw later in 1187 als Oudenarde. Dit verschijnsel wordt vocalisering genoemd. Om het wetenschappelijker te formuleren: in de cluster a/o + l + d/t is de l in het Nederlands gevocaliseerd tot oe en vervolgens met de voorgaande korte klinker versmolten tot een ou (bijvoorbeeld: houden, goud < Duits: halten, Gold). Om het nog wat ingewikkelder te maken: bovengenoemde vorm van vocalisering is een speciaal geval: de diftongering, waarin de samensmelting van twee klinkers tot een nieuwe klank leidt, bijvoorbeeld: oe, eu, ui, ei, ou.
Wij zeggen in Brabant dus oud, en deze heeft in de officiële spelling van het Nederlands deze bijzondere taalstrijd gewonnen. Maar waarom spreken we oude meestal als ouwe uit? Dat heeft met uitspraaksystematiek te maken. Klinkers zoeken in de spreektaal de meest gemakkelijke overgang op. Tussen ou en e staat een d, een zogenaamde dentaal, maar deze tandletter maakt de overgang naar de e minder soepel en daarom wordt deze maar liever weggelaten. Waardoor we ou – e overhouden, uitgesproken als ouwe, en fonetisch ook als zodanig weergegeven.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten