Een tijdlang was het boek Intieme vreemden van de Amerikaanse schrijfster Lilian Rubin een bestseller. Het gaat over intieme relaties terwijl partners vreemden voor elkaar blijven, zoals in een huwelijk of in een samenwoonrelatie. Als werknemers in een schoolorganisatie staan wij ook in een bepaalde relatie tot elkaar, een functionele relatie, die soms echter buiten de oevers van dit kader treedt en dan ontstaan er vriendschappen, en soms zelfs intieme relaties. Maar daarover zullen wij het zwijgen moeten bewaren. Of vijandschappen.
In welke verhouding staan wij als collega’s tot elkaar? Het lot heeft ons op deze school en in dit team samen gebracht, - althans dat zou men vroeger zeggen, maar er is natuurlijk meer. Want wat is het lot? Wij verstaan dat niet meer als een soort schikgodin die over het wel en wee in onze levens beschikt.
Het gegeven dat wij soms al gedurende jaren elkaars dagen en leven vullen is niet toevallig. Op een of andere manier willen we bij elkaar horen. Of: moeten we bij elkaar horen? Of horen we gewoon bij elkaar. We zijn elkaar vertrouwd, maar echter ook vreemd. Het lijkt wel wat op die intieme vreemden van Lilian Rubin, maar het is beslist niet hetzelfde. Bij Rubin hebben huwelijkspartners bijvoorbeeld een intieme relatie met elkaar terwijl ze vreemden voor elkaar blijven, omdat er te weinig gepraat wordt met elkaar, bijvoorbeeld. Collega's worden als vreemden steeds meer aan je bekend, maar tot op zekere hoogte: de grens loopt waar intimiteit begint. Misschien moeten we spreken van een bekende vreemde. Als je de uren bij elkaar optelt, dan zie ik mijn collega’s zeker vaker dan dat ik mijn eigen broers en zussen zie, of mijn vrienden. Of zelfs mijn partner wellicht, maar dat geef je natuurlijk niet gauw toe, zeker niet hardop en zeker niet aan haar.
Toch verlaten mensen als ze met pensioen gaan zonder veel traanvergieten hun collega’s. En ook dat is heel gek, want je hebt toch soms jaren met elkaar gewerkt, jaren elkaars leven gevuld. En ik ben zeker ook niet de enige die zijn eigen school maar ook het ROC als een soort familie ervaart.
In de sociologie werd het vanaf het begin van de 20e eeuw gebruikelijk om voor het individu een privédomein te onderscheiden en een publiek domein. Daarvoor was daar geen sprake van. Je maakte altijd en overal deel uit van een geheel, een collectief, en daarmee basta! In het privédomein rotzooit iedereen maar wat aan, althans die mogelijkheid bestaat, zolang men niet door wetten en praktische bezwaren of partners die het niet pikken in de weg wordt gezeten. In het publieke domein is dat aan rotzooien een stuk moeilijker. Daar wordt gecontroleerd gedrag verwacht volgens bepaalde gedragsnormen en beroepscodes. Als privé en werk gaan interfereren, of om het gewoon te zeggen, door elkaar heen gaan lopen, dan krijgen we geheid problemen. Er is dan sprake van rolconflicten volgens de al eerder genoemde sociologie en iedereen heeft dat conflict al wel eens aan den lijve ondervonden. Het scherpst voel je de tegenstelling als je partner of je kind of een vriend plotseling in het publieke domein van je werk opduikt. Dat levert dat een soort gevoel van verlegenheid op. Althans bij mij, en omdat ik een mens ben zal dat wel voor veel mensen gelden.
Als collega’s privé en werk gaan mengen kan dat ook rolconflicten opleveren maar die worden als minder scherp ervaren. Je zit namelijk allebei in het wankele schuitje ervan. Hoewel.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten