Ik denk aan mijn eerste optreden voor
een groot publiek halverwege de jaren vijftig van de vorige eeuw. Er volgden er
meer, met wisselend succes. Ik was vijf of zes, zat in de eerste klas van de
lagere school en kreeg van frater Theodulphus de hoofdrol toegespeeld in het
poppenkastdrama (met levende poppen) ‘Jan Klaassen is verkouden’, want hij vond
mij wel een komiek kereltje.
Wekenlang werd er gerepeteerd na schooltijd en op de avond van de jaarlijkse prijsuitreiking van de beste van de klas toen het stuk op de planken zou worden gebracht kende ik het stuk finaal van buiten, ook de teksten van mijn medespelers!
Toen het gordijn openging en ik me plotseling met het publiek voor me geconfronteerd zag, barstte ik spontaan in huilen uit. Het leek wel of de hoofden van de ouders van de kinderen van de lagere school, - want die vormden een groot deel van het publiek - , steeds groter werden. Het was alsof ze de grimmigheid van de maskers op de schilderijen van James Ensor aannamen. Die Belgische schilder kende ik toen nog niet, maar toen ik voor het eerst in het echt zijn schilderijen zag moest ik gelijk aan die avond denken. Ik leed kennelijk al vroeg aan een ernstige vorm van plankenkoorts die zich blijkbaar niet als sneeuw voor de zon oploste, zo gauw ik het podium betrad. Ik bakte er hoegenaamd niets van die avond.
Wekenlang werd er gerepeteerd na schooltijd en op de avond van de jaarlijkse prijsuitreiking van de beste van de klas toen het stuk op de planken zou worden gebracht kende ik het stuk finaal van buiten, ook de teksten van mijn medespelers!
Toen het gordijn openging en ik me plotseling met het publiek voor me geconfronteerd zag, barstte ik spontaan in huilen uit. Het leek wel of de hoofden van de ouders van de kinderen van de lagere school, - want die vormden een groot deel van het publiek - , steeds groter werden. Het was alsof ze de grimmigheid van de maskers op de schilderijen van James Ensor aannamen. Die Belgische schilder kende ik toen nog niet, maar toen ik voor het eerst in het echt zijn schilderijen zag moest ik gelijk aan die avond denken. Ik leed kennelijk al vroeg aan een ernstige vorm van plankenkoorts die zich blijkbaar niet als sneeuw voor de zon oploste, zo gauw ik het podium betrad. Ik bakte er hoegenaamd niets van die avond.
Deze pijnlijke persoonlijke
geschiedenis doet me denken aan de vermakelijke act van de cabaretier Hans Teeuwen
waarin hij een bijzonder zenuwachtige cabaretier nadoet, bij wie de plankenkoorts
maar niet wil wijken. Zoiets had ik ook, maar in het echt. Maar misschien had
Hans Teeuwen het ook wel in het echt en beleefde hij in het echt wat hij
speelde.
Optreden in het openbaar kan behoorlijk
lastig zijn en daarom is het handig daarvoor een vast gedragspatroon te
hanteren: je speelt op je werk een voorgeschreven rol. Shakespeare vergeleek het
leven in het publieke domein al met toneelspelen, De wereld is een schouwtoneel en iedereen die speelt zijn deel. De
werkvloer vormt ook een soort schouwtoneel en mensen gaan zich daarnaar
gedragen: we spelen een rol en zijn dan niet helemaal onszelf.
Uit recent onderzoek van de Nationale Vacaturebank
blijkt dat twee-derde van de werknemers in Nederland zich een andere houding op
het werk aanmeet dan ze thuis gewend zijn te doen. De rolsociologie (die
bestaat echt!) noemt die rol de werkpersoonlijkheid. Een-derde zegt zich op het
werk ‘compleet zo te gedragen als thuis’. Dat is een opmerkelijke uitkomst. Op
tv hoorde ik laatst een hoogopgeleide Spanjaard die hier werkt, zeggen dat hij
het gek vond dat we hier in Nederland op de werkvloer elkaar ´s maandags
vertellen wat we zoal het weekend hebben gedaan. In veel buitenlanden is dit
niet gebruikelijk. Daar houdt men werk en privé strikt gescheiden. We zien
overigens de laatste jaren, zeker in de westerse wereld een naar het elkaar
toegroeien om niet te zeggen een vervlechting van werk en privé onder invloed
van de ict, zoals laptop, i-pad, pc, i-phone. 24/7 bereikbaar. Het lijkt wel de
terugkeer naar de feodale arbeidsverhoudingen.
We doen ons op het werk vaak mooier
voor dan we in werkelijkheid zijn. De grondlegger van de rolsociologie, Georg
Simmel (1858-1918), de bedenker van de sociale rollen, heeft ons al een anderhalve
eeuw geleden voorgehouden dat dat maar goed is ook. Het zou wat moois worden
als we helemaal onszelf zouden willen zijn op het werk. Dat zou een mooie boel
worden, want naast onze positieve eigenschappen beschikken we ook in geruime
mate over mindere kanten van onze persoonlijkheid. Vroeger wees ons de
katholieke kerk op onze minpuntjes, - de mens werd bij herhaling zondig genoemd
tijdens de wekelijks bij te wonen zondagsmis. Durf dat nu maar eens tegen een
student te zeggen! Veel programma’s op tv en zelfhulpboeken verzekeren ons nu
van de prachtige kanten van ons karakter.
Er zijn volgens het onderzoek van de
Nationale Vacaturebank verschillende manieren om je ‘werkpersoonlijkheid’ op je
werkplek tot uiting te laten komen. De meest gebruikte manier is om de zwarte
kanten van je persoonlijkheid te onderdrukken. Dus ben je gewend om je thuis
soms wat agressief te gedragen, dan zal je dat op je werk in mindere mate doen.
Het besef dat je in tegenstelling tot thuis daar op je werk niet mee wegkomt, zal
je meestentijds wel weerhouden het potje proberen te breken, dat je thuis wel breekt.
Een manier om bij je collega’s, en
vooral bij je leidinggevende in het gevlei te komen is pochen over jezelf. Denk
aan je laatste functioneringsgesprek. Maar roddelen over anderen, een collega
in een kwaad daglicht stellen gebeurt ook wel. Soms gebeurt dit al dan niet daartoe
aangemoedigd door de baas. Die leidt dat dan in met: ‘Voor mijn beeld: wat vind
je van … Klikken, een collega
zwartmaken, het succes van je collega claimen, het gebeurt gelukkig niet zo
vaak: (6%). Hiermee wordt wel een grens overschreden, want jezelf in een
gunstig daglicht plaatsen, al la, maar een ander zwarte pieten: dat is toch
weinig collegiaal.
Overigens geeft een op de zes van de
1100 geënquêteerden uit alle regio’s van Nederland aan dat seks met de baas het
ergste was wat men gedaan heeft om zich bij de baas te profileren. Echt waar,
kijk het maar na. Seks met je collega (door beiden gewenst, maar niet op de werkplek) ok, maar met je baas?! Daar
kijkt een mens toch werkelijk van op.
Een leugentje om bestwil om bij je
collega’s in een gunstig daglicht te komen is helemaal geen doodzonde. Dat doet
zo’n 10%, zo blijkt uit het onderzoek. Die leugentjes moeten dan wel gaan over
niemendalletjes als:
·
Ik heb dat
literair hoogstaande boek ook gelezen, terwijl je de hele vakantie vergetelheid
hebt gezocht in glossy’s en boeketreeksromannetjes. Of Voetbal International en
de Penthouse.
Maar je moet er wel mee opletten en
het ook niet te bont maken, want wanneer je door de mand valt krijg je al snel
het label onbetrouwbaar opgedrukt. Mark Borgman van de Nationale Vacaturebank, de
bedenker van het onderzoek, denkt dat mensen met een nieuwe baan het meest
toneelspelen.
Nu de vakantie weer voorbij is
betekent dit voor minstens twee-derde van ons zich weer omschakelen, namelijk
van onze privépersoonlijkheid naar onze werkpersoonlijkheid. Deze omschakeling
kost tijd, minstens een dag of drie, daarom heeft het nieuwe College van
Bestuur besloten om alvast op vrijdag voor het einde van de vakantie te
beginnen, zodat we er op de eigenlijke eerste dag van het schooljaar weer fris
en fruitig tegenaan kunnen.
Telt u even mee: vrijdag is dag 1 van
de mentale omschakeling, zaterdag en zondag zijn dag 2 en 3. Zo kost het de
organisatie geen geld. In deze tijden van crisis best slim gedacht eigenlijk.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten