Dus als ik schrijf: ´het ik bestaat niet´, is dat een correcte grammaticale
constructie en mijn laptop geeft dan ook geen groen kringeltje aan onder de
persoonsvorm ´bestaat´. Ofschoon nu weer wel onder ‘ik’. En dat is logisch, want
normaliter wordt een lidwoord enkel voor zelfstandige naamwoorden gebruikt, en
‘ik’ is een persoonlijk voornaamwoord. Toch is de constructie correct, want het spellingsprogramma op mijn laptop is niet perfect. Rotterdammers vinden dit allemaal oud
nieuws, want die gebruiken de constructie ‘stam + t’ voor de ik-vorm in hun
stadsdialect. ‘Ik gaat’, zeggen ze als ze vertrekken. Rare jongens toch, die
lui uit Rotjeknor!
Ik werd mij voor het eerst van het woordje ‘ik’ bewust in de eerste klas van de lagere school. De frater (voor de niet-babyboomer: dat was een onderwijzer met een bepaald rooms-katholiek ambt) liet ons dorpsleerlingen een kaartje in A5-formaat zien met daarop een jongetje dat met zijn wijsvinger naar zichzelf wees: IK. Ik raakte hierdoor in verwarring: ik was toch alleen maar ik? Hoe kon dat jongetje op dat plaatje nou ‘ik’ zijn? Ik keek om me heen en zag daar allemaal jongetjes die kennelijk allemaal ‘ik’ waren. (Voor de niet-babyboomer: je had toen nog jongens- en meisjesklassen en er waren toen ook nog geen kringgesprekken.) Toch waren ze niet ik, die ik was. Dat vond ik een vervreemdende en tegelijkertijd een wat beangstigende gedachte en van de weeromstuit begon ik mijn klasgenootjes mij totaal onbekende wezens te vinden. Mijn vanzelfsprekende kleuterwereld was een stuk onbegrijpelijker geworden. Later begreep ik dat ik mij voor het eerst bewust werd van mijn individualiteit.
Toch is het maar de vraag of ‘het ik’, het individu, letterlijk het ondeelbare, wel bestaat. Zijn we niet veel eer een knooppunt van alle mensen om ons heen? Een punt waarin alle mensen die we in ons dagelijks leven tegenkomen als in een soort mentaal afvoerputje samenkomen? Ook weer een fascinerende gedachte. In het Latijn (en het Grieks) wordt de persoonsvorm zonder persoonlijk voornaamwoord gebruikt. Het is dus: cogito, ergo sum, wat betekent: ik denk, dus ik ben. Alleen bij nadruk gebruikten de oude klassiekers: ego, ik ervoor. En Descartes kennelijk ook nog in de zeventiende eeuw.
Volgens Nietzsche gaat aan het ik het denken vooraf. Het denken construeert het bestaan van het ik, maar wie of wat denkt dit ik dan? Hij beschouwt een frase als ‘ik denk’ als een misleiding door de grammatica. Omdat elk predicaat, zeg maar het gezegde een subject nodig heeft, zoals in ‘hij denkt’, om aan te geven dat ‘die daar’ denkt, wijst ‘ik denk’ op ‘mij hier’ als denker en niet ‘die daar’. Maar daarmee is nog niet gezegd dat die ‘mij hier’ een reĆ«el bestaand ‘ik’ heeft of is. Verwarrend allemaal.
Nietzsche spreekt daarom ook niet van het individu, maar van het ‘dividu’, om daarmee aan te geven dat het ik deelbaar is. Een bewijs hiervoor vormt dat je je eigen ik kunt objectiveren en over jezelf kunt nadenken, maar wie denkt dan weer over mezelf na?
In een vorige blog schreef ik dat hoe dieper je in jezelf afdaalt, hoe meer je gaat beseffen dat daar niets zit, en zeker niet zoiets als een authentieke kern, voeg ik daar nu aan toe. Of toch wel?
Eerst maar eens genieten van een mooie vakantie met wandelingen in herfstige bossen en een Irish coffee in een gezellige herberg daarna.
Ik werd mij voor het eerst van het woordje ‘ik’ bewust in de eerste klas van de lagere school. De frater (voor de niet-babyboomer: dat was een onderwijzer met een bepaald rooms-katholiek ambt) liet ons dorpsleerlingen een kaartje in A5-formaat zien met daarop een jongetje dat met zijn wijsvinger naar zichzelf wees: IK. Ik raakte hierdoor in verwarring: ik was toch alleen maar ik? Hoe kon dat jongetje op dat plaatje nou ‘ik’ zijn? Ik keek om me heen en zag daar allemaal jongetjes die kennelijk allemaal ‘ik’ waren. (Voor de niet-babyboomer: je had toen nog jongens- en meisjesklassen en er waren toen ook nog geen kringgesprekken.) Toch waren ze niet ik, die ik was. Dat vond ik een vervreemdende en tegelijkertijd een wat beangstigende gedachte en van de weeromstuit begon ik mijn klasgenootjes mij totaal onbekende wezens te vinden. Mijn vanzelfsprekende kleuterwereld was een stuk onbegrijpelijker geworden. Later begreep ik dat ik mij voor het eerst bewust werd van mijn individualiteit.
Toch is het maar de vraag of ‘het ik’, het individu, letterlijk het ondeelbare, wel bestaat. Zijn we niet veel eer een knooppunt van alle mensen om ons heen? Een punt waarin alle mensen die we in ons dagelijks leven tegenkomen als in een soort mentaal afvoerputje samenkomen? Ook weer een fascinerende gedachte. In het Latijn (en het Grieks) wordt de persoonsvorm zonder persoonlijk voornaamwoord gebruikt. Het is dus: cogito, ergo sum, wat betekent: ik denk, dus ik ben. Alleen bij nadruk gebruikten de oude klassiekers: ego, ik ervoor. En Descartes kennelijk ook nog in de zeventiende eeuw.
Volgens Nietzsche gaat aan het ik het denken vooraf. Het denken construeert het bestaan van het ik, maar wie of wat denkt dit ik dan? Hij beschouwt een frase als ‘ik denk’ als een misleiding door de grammatica. Omdat elk predicaat, zeg maar het gezegde een subject nodig heeft, zoals in ‘hij denkt’, om aan te geven dat ‘die daar’ denkt, wijst ‘ik denk’ op ‘mij hier’ als denker en niet ‘die daar’. Maar daarmee is nog niet gezegd dat die ‘mij hier’ een reĆ«el bestaand ‘ik’ heeft of is. Verwarrend allemaal.
Nietzsche spreekt daarom ook niet van het individu, maar van het ‘dividu’, om daarmee aan te geven dat het ik deelbaar is. Een bewijs hiervoor vormt dat je je eigen ik kunt objectiveren en over jezelf kunt nadenken, maar wie denkt dan weer over mezelf na?
In een vorige blog schreef ik dat hoe dieper je in jezelf afdaalt, hoe meer je gaat beseffen dat daar niets zit, en zeker niet zoiets als een authentieke kern, voeg ik daar nu aan toe. Of toch wel?
Eerst maar eens genieten van een mooie vakantie met wandelingen in herfstige bossen en een Irish coffee in een gezellige herberg daarna.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten