vrijdag 16 november 2012

Fretteren

Het jachtseizoen is weer geopend, merkt mijn hond als ik haar op een weemoedig-grijze dag in het najaar uitlaat. November, altijd weer november, verzucht ik met de dichter van het verlangen Jacques Bloem, en behaaglijk wentel ik mij in mijn met herfstbladeren bedekte bed van melancholie. Een man blijft toch altijd de jongen die hij was en behoudt het vuur en de onbevangenheid van een negentiende-eeuwse romanticus. Weltschmerz & Sehnsucht. Bij elk schot achter de weilanden ergens in de bossen schrikt mijn labrador retriever op, maar ook het jachtinstinct wordt in haar vaardig. Op een pad langs een aardwal, waar ik veel konijnen weet te zitten en ik mijn hond steevast een tijdje kwijtraak, zie ik enkele figuren  lopen en afwisselend tegen die aardwal, een talud van een oude snelweg, opklauteren. Om hen heen trippelt nerveus een jachthond. Ik nader beide mannen en zie dat een van hen een kistje met zijn rechterarm omvat. Nieuwsgierig als ik ben vraag ik hem, na hem eerst gegroet hebben zoals onder wandelaars door beemd en bos gebruikelijk is, wat er in het kistje zit. Hij trekt aan de korte zijde een schuifje omhoog en voor mijn verbaasde ogen komt er een soort wit hermelijntje uit gekropen, dat vastzit aan een halsbandje waaraan een kettinkje. Het blijkt een fretje  te zijn. Fret, fretteren, flitst door mijn gedachten. Ze zijn aan het fretteren!  Alsof ik in het Madeleine-koekje uit ‘À la recherche’ van de verloren tijd van Marcel Proust heb gebeten, - na het eerst in een kopje thee te hebben gesopt -,  verschijnen mij vervolgens beelden uit lang vervlogen dagen voor mijn geestesoog. En ik ruik weer de oude geuren van toen. Er zijn een paar langgeleden gesloten luikjes opengeklapt in mijn hoofd en ik bevind mij in een kamer met uitzicht naar buiten, naar vroeger welteverstaan.

In het dorp van mijn kinderjaren wemelde het van de stropers, fretteerders en andere  clandestiene jagers. In het najaar rukten de veldwachters (Swiebertje!) ’s nachts uit om op stropersjacht te gaan, maar kwamen, zoals een oom van mij die bij de Hermandad diende, nogal eens met een weitas gevuld met konijnen thuis. Bij ‘ons thuis’ aten we er ook van mee. Als dank schonk mijn vader dan een glaasje vieux voor hem in, in mijn jeugd de Hollandse ’cognac’ voor de gewone man. En dan nog een paar.
Fretteren: aan de ingang wordt een fretje het konijnenhol in losgelaten, terwijl aan de andere kant, aan de uitgang dus, een net is gespannen. De konijnen rennen in doodsangst het net in en áls ze weten te ontsnappen, dan worden ze achterna gezeten vakkundig de strot doorgebeten door de jachthond, dat  overigens net als mijn labrador retriever als een goedmoedig hondenbeest oogt. (Ik heb een Jackel&Hide-beest in huis!)
De zware lucht van het clandestiene verwaaide toen een van beide mannen mij ongevraagd verzekerde dat ze in opdracht van de gemeente aan het werk waren. En inderdaad, verder op stond hun jeepje van publieke werken met het stadswapen erop.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten