zondag 9 oktober 2011

Bint (1)


Hij was de vierde leraar maatschappijleer dat schooljaar midden jaren tachtig, die de op school beruchte en door docenten gevreesde klas les moest geven. Drie voorgangers hadden al een roemloze aftocht geblazen. Een van hen had helemaal de pijp aan Maarten gegeven en had met de nieuw opgedane kennis van en ervaring met het beroep voorgoed afscheid genomen. Aan de taak van het verzorgen van maatschappijleer was tevens de verantwoordelijke rol van klassenleraar verbonden. Dat leverde voor de jonge docent direct een dubbele uitdaging op, want in zijn overmoed en argeloosheid die de jonge jaren van een mensenleven tijdelijk met zich meebrengen, had hij voor zichzelf besloten zijn nieuwe werk niet op de eerste plaats te zien als een bedreiging maar als een kans, zoals dat in de huidige nieuwspraak heet.
Hij had de klas al wel eens gezien, door de gang lopend en door de ramen een blik het klaslokaal binnen werpend. Op het eerste gezicht zagen de leerlingen er tamelijk doorsnee uit. Jongens waren het, om met Nescio te spreken, maar dat was slechts de buitenkant. Onder de oppervlakte kraaide het oproer of om het in de revolutionaire retoriek van mei 1968 te zeggen: onder de straattegels lag het strand. Althans deze reputatie hadden ze intussen opgebouwd. En de geruchten gaan meestentijds voor de gebeurtenissen uit.
Hierdoor werd bij de jonge leraar het vermoeden versterkt dat hij weldra het trieste lot van zijn voorgangers zou moeten delen. Hij nam zich echter dapper voor, dat als hij dan uit het klassenlokaal zou worden verjaagd door de leerlingen, hij met opgeheven hoofd de aftocht zou blazen. Kortom, hij besloot zijn huid zo duur mogelijk te verkopen. De eerste krachtmeting met de klas zou op een grijze maandagochtend begin februari plaatsvinden. De feestdagen waren voorgoed voorbij en carnaval viel laat dat jaar, pas in maart, dus dat gegeven bood ook weinig houvast.
Bij zijn binnenkomst overzag hij in een blik de klas: de bloem der natie zat niet in de schoolbanken, maar hing er feitelijk in. Nu was het net weekend geweest en omdat hijzelf zich in die jaren in danslokaal en kroeg ook niet onbetuigd liet, kon hij de houding van de jongeheren wel voorstellen enigszins. Hij besloot het te negeren. Hij nam plaats aan de op een verhoging geplaatste lessenaar, na eerst zorgvuldig stoel en bureau geïnspecteerd te hebben op punaises en ander voor het zitvlak pijnlijk ongerief. Alles was in orde, maar net voor hij ging zitten merkte hij op dat het bureau op pootjes wel erg dicht tegen de rand van de verhoging stond. Quasi laconiek schoof hij het wat naar zich toe en nam plaats.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten