zaterdag 15 juni 2013

Literatuurles in het mbo

Ik heb vroeger een mbo-opleiding gevolgd: de meao. Dat was in de Lange Nieuwstraat hier ter stede, eind jaren zestig. Het was een zinderende tijd, en dat kwam niet alleen door mijn blonde vriendinnetje in minirok, dat me soms op haar hippe Solexje van school kwam afhalen. Mijn klasgenoten floten dan. Ik kreeg les van de jonge docenten Charles Huebert (Frans), Louis van de Braak (Duits), de fraters ‘Sjefke’ (prima docent algemene economie) en Koenraad (een opvliegend docent bedrijfseconomie: Van Gestel, jij de klas uit!). Directeur der school was August van Berkel (haast liefkozend 'Guusje' genoemd door de leerlingen), die heimelijk tijdens de les revolutie predikende leraren bespiedde. Ik herinner me nog ene Peter Janssen die Nederlands gaf en vol was van de straatrevolte van mei 1968 in Parijs; hij kalkte slogans op het bord als 'De verbeelding aan de macht!' en 'Onder de straatstenen ligt het strand!'. Hierbij werd geduid op een uitbreiding van de rivieroevers van de Seine. (Een origineel idee, want in onze tijd zien we in veel steden stadsstranden aan rivieren en kanalen.) Hij had ook allerlei woordgrapjes tijdens zijn lessen in de aanbieding. Zo vertelde hij dat het pauselijke urbi et orbi met Pasen en Kerstmis, uitgesproken vanaf het balkon van het Vaticaanse paleis, voortaan na de encycliek 'Humanae Vitae' (1968), die vooral bekend werd vanwege de veroordeling erin van de toen in opkomst zijnde anticonceptiepil, zou heten: urbi et 'masturbi'.
De meao was toentertijd een nieuwe tweejarige niveau-4-opleiding, die je mocht gaan volgen met een vierjarige-mulodiploma op zak. Ik kreeg er les in Nederlandse, Engelse, Duitse en Franse literatuur. Voor de vaderlandse letterkunde moesten we verplicht een achttal werken lezen en een dossier samenstellen. In de lessen Engels bij voorbeeld lazen we klassikaal Graham Greene, ‘The third man’ en ‘The heart of the matter’, en Ernest Hemingway, ‘Farewall to arms’ en ‘For whom the bell tolls’. In die jaren werd er nog literatuur gedoceerd op de middelbare beroepsopleidingen, maar veel later werd dat weg gerationaliseerd in de wel bedáchte maar niet altijd goed dóordachte moderne opleidingsconcepten met achtereenvolgens hun koepeleindtermen, gewone eindtermen, subeindtermen, kerntaken en last but not least competenties. Van de laatste kon lang niemand een adequate definitie geven, temeer omdat deze ook weer onderscheiden werden in een zevental soorten. (Ik zal u besparen welke dat waren.) Totdat we er na jaren achter kwamen dat het ‘gewoon’ ging om een combinatie van kennis, inzicht en praktische vaardigheid. Maar goed, die literatuur dus.  Ik geef nu les op de School voor VAVO en mag daar goddank Nederlandse literatuur doceren, omdat de opleidingsplannen dat voorschrijven: ministerieel goedgekeurd! Op de School voor Onderwijs en Kinderopvang, waaraan ik lessen Nederlands verzorg, wordt sinds jaar en dag jeugdliteratuur gegeven. De reden daarvoor is evident, en de eindtermen schrijven het ook voor. Maar diezelfde voorschriften bepalen niet dat er volwassenenliteratuur moet worden gedoceerd en dat vind ik een tekortkoming. Ik vermoed dat er in praktisch geen enkele beroepsopleiding binnen ons ROC  Nederlandse literatuur op het programma staat, laat staan buitenlandse; de competenties uit de opleidingsplannen hebben er niets mee. En dat vind ik een ernstige lacune, want literatuurlessen zijn ergens goed voor, al valt hun waarde pas na jaren op. Literatuur stimuleert de fantasie, ontwikkelt kennis en inzicht, leert out-of-the-box (sorry!) denken en over de schutting van je afkomst en persoonlijke achtergrond kijken. En tenslotte: bevordert het concentratievermogen en de algemene taalvaardigheid. Maar hoor ik u al denken: onze jeugd leest toch niet meer! En wij leggen ons daar bij neer?
Mijn laatste column voor de zomervakantie gaat over onze School voor AKA, op veler verzoek.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten