maandag 9 april 2012

De leraar en de poten onder zijn stoel

Begin jaren negentig kwam ik op twee scholen te werken, die met nog een paar andere gefuseerd waren in het toenmalige CBM, het College voor Beroepsonderwijs Midden-Brabant. De gezagsverhouding tussen leraar en leerling was in beide heel verschillend. In de ene school lag de schooldirecteur vanachter een gordijn van zijn werkkamer te loeren met een verrekijker of alles buiten ordelijk verliep; er waren geruchten opgestoken dat er tijdens de pauzes door leerlingen buiten het schoolcomplex geblowd werd: quod erat demonstrandum!
Wanneer je als leraar een leerling de klas uit stuurde was die laatste nog niet jarig, want die moest zich dan melden bij de directeur himself, die de leraar per definitie gelijk gaf en de leerling dientengevolge ongelijk. Daar hielp geen moedertje- of vadertjelief aan. Buiten schooltijd wachtte dan altijd een vervelend karwei voor de boosdoener. Meestal mocht de onverlaat  de conciĆ«rge meehelpen de schoolomgeving op te pimpen door allerlei rotzooi op te ruimen. De leraar wist zich altijd in de rug gedekt, hetgeen zijn positie in de klas versterkte en zijn aanzien bij de leerling verhoogde. Dit had bovendien een positief effect op zijn zelfvertrouwen, waardoor het relatieve gemak waarmee hij de klas kon benaderen tot gevolg had dat hij slechts bij hoge uitzondering zich genoodzaakt zag naar de noodrem te grijpen en een leerling te amoveren.
Op mijn andere school heerste een heel ander klimaat. Kon je de gezagsverhoudingen in de voornoemde school tamelijk autoritair noemen (misschien is het beter om te spreken van ‘duidelijk’, want de leerling werd er op handen gedragen, niet in de laatste plaats door middel van het degelijke beroepsonderwijs), in deze school was het klimaat eerder met een eufemisme ‘democratisch’ te noemen. De gezagsverhouding tussen leraar en leerling was in beweging, om niet te zeggen: bevond zich op een hellend vlak.
Wanneer je het als leraar waagde om een leerling uit de klas te sturen, kreeg je er stante pede een probleem bij, terwijl op de andere school het probleem voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij was, om het eens met de dichter J.C. Bloem te zeggen. Nu gebeurde het gelukkig niet zo vaak dat je genoodzaakt was een leerling uit de klas te verwijderen, daarvoor waren ze aardig, creatief en ook leergierig genoeg. Maar om sommige figuren en hun deviante gedragingen kon je ook met de beminnelijkste neiging om te schikken niet heen, want die wilden de kachel met je aanmaken. En omdat elke weldenkende leraar er een instinctieve afkeer van heeft om als brandhout door een klas te worden opgestookt, moest je wel eens overgaan tot de ultieme noodmaatregel. Maar, zoals ik al zei, dat bracht op deze school geen oplossing voor het probleem. Integendeel, je moest je tegenover de directeur uitgebreid gaan verantwoorden waarom jij zo in je didactische en pedagogische vaardigheden gefaald had, dat je zelfs een leerling de klas had uitgezet. En ook mijn collega’s keken me soms met scheve ogen aan, want de meeste waren adepten van de in zwang zijnde leer der groepsdynamica. In de loop der tijd zag ik hun aanpak het schoolklimaat ook op de andere fusiescholen steeds meer bepalen. Maar de laatste tijd gaan er weer stemmen op…

Geen opmerkingen:

Een reactie posten