Mimicry is een bekend principe uit de biologie: als je iemand hebt zien geeuwen is er 55% kans dat je zelf binnen vijf minuten ook geeuwt. De gedachte daarachter is het kopiëren van evolutionair succesvol gedrag. De afzonderlijke leden van de diersoorten bootsen elkaars gedragingen na: de succesvolle blijven over, de minder of niet geslaagde gedragingen worden nagelaten op den duur.
Moeten we het bouwvakkersdecolleté ook zo bezien? Als nabootsing van het
vrouwendecolleté? Ik heb stellig die indruk, want een dergelijke ‘inkijk’, -
een typisch vrouwenwoord -, heeft toch iets uitdagends bij beiderlei kunne. Je (m/v) mag dan ook gerust
fluiten naar bouwvakkers en andere vaklui, zoals installatiemonteurs en
elektriciens, net zoals zij zelf doen naar langslopende mooie vrouwen.
Jammer genoeg moet ik zeggen déden, want onze competentiegeschoolde vakmensen
hebben geleerd tijdens de lessen BUCO, burgerschapscompetenties, dat
zulks niet welvoeglijk is.
Dat uitdagende aspect van het bouwvakkersdecolleté wordt bevestigd door het dagelijkse, informele taalgebruik. Daarvoor is het ‘Woordenboek van de platte taal’, in 2007 uitgegeven door BZZTôH in Den Haag een mooie Fundgrube, een goudader dus. Voor de wat neutrale term bilnaad, die dus duidelijk zichtbaar is, en de al wat grovere term bilspleet, reserveert het bovengenoemde ‘stoutewoordenboek’ de snaakse woordjes bipsekontje en kontbipsje. Overigens zegt dezelfde dictionaire dat 'kont' oorspronkelijk op het vrouwelijk geslachtsdeel betrekking had, vergelijk het Engelse ‘cunt’. Zo zie je maar dat homoseksualiteit en heteroseksualiteit niet alleen qua erogene zones, maar ook wat woordenschat betreft dicht bij elkaar liggen.
Klinken de varianten op kontje en zo nog wel aardig, anders wordt het met synoniemen als knakenspleet en centenbak. Daar klinkt de afkeuring toch wel duidelijk in en door en die wordt nog duidelijker als je beseft dat ons Nederlanders gierig zijn en niet graag financieel over de brug komen. Immers: pecunia non olet, geld stinkt niet.
Dat uitdagende aspect van het bouwvakkersdecolleté wordt bevestigd door het dagelijkse, informele taalgebruik. Daarvoor is het ‘Woordenboek van de platte taal’, in 2007 uitgegeven door BZZTôH in Den Haag een mooie Fundgrube, een goudader dus. Voor de wat neutrale term bilnaad, die dus duidelijk zichtbaar is, en de al wat grovere term bilspleet, reserveert het bovengenoemde ‘stoutewoordenboek’ de snaakse woordjes bipsekontje en kontbipsje. Overigens zegt dezelfde dictionaire dat 'kont' oorspronkelijk op het vrouwelijk geslachtsdeel betrekking had, vergelijk het Engelse ‘cunt’. Zo zie je maar dat homoseksualiteit en heteroseksualiteit niet alleen qua erogene zones, maar ook wat woordenschat betreft dicht bij elkaar liggen.
Klinken de varianten op kontje en zo nog wel aardig, anders wordt het met synoniemen als knakenspleet en centenbak. Daar klinkt de afkeuring toch wel duidelijk in en door en die wordt nog duidelijker als je beseft dat ons Nederlanders gierig zijn en niet graag financieel over de brug komen. Immers: pecunia non olet, geld stinkt niet.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten