zaterdag 2 april 2016

Apartheid

Als het waar is, zoals ik in mijn vorige blog vermoedde, dat er in Nederland sinds een aantal jaren sprake is van een maatschappelijke tweedeling, in hoeverre verschilt deze situatie dan van apartheid? Het antwoord op deze vraag wordt in grote mate bepaald door de maatschappelijke positie die men inneemt. Een uitkeringstrekker kijkt anders tegen de maatschappij en de samenleving aan als jan modaal en al helemaal als een rijk vermogende. Hoger opgeleiden zullen weer een ander perspectief hebben als lager opgeleiden. In de theorievorming over de geschiedwetenschap is hier een Duitse term voor geijkt: Standortgebundenheit. De mening die burgers, én dus ook wetenschappers, over allerlei maatschappelijke verschijnselen hebben, wordt mede bepaald, om niet te zeggen vooral, door de plek die ze in de samenleving innemen.

Om het wat concreter te maken: minimumloners in Nederland zullen vermoedelijk een ander standpunt innemen op de vraag of hier sprake is van tweedeling dan bovenmodalen. Sterker nog: zij zullen vermoedelijk eerder zeggen dat hier sprake is van apartheid.
Hoezo dan? Om deze vraag te beantwoorden moet er even stilgestaan worden bij het onderscheid zelf, los van de beschouwer, in dit geval ikzelf dus. Voor zover dat mogelijk is, wat kennelijk gezien het bovenstaande niet het geval is, maar enigszins wel hoop ik. 

Welaan dan, maatschappelijke tweedeling en apartheid verschillen in haar uitwerking nauwelijks van elkaar. In beide constellaties zijn er twee (of meer) maatschappelijke groepen die niet of nauwelijks contact met elkaar hebben. Er bestaan tussen beide grondige culturele en sociaaleconomische verschillen. Het onderscheid dat ik kan bedenken is dat apartheid per definitie vanuit een politiek systeem wordt opgelegd – zoals eertijds in Zuid-Afrika. En dus, zou je zeggen, mag maatschappelijke tweedeling geen apartheid worden genoemd?
Dat is maar schijn, want er is wel degelijk sprake van dwang: alleen komt die niet vanuit de politiek, maar vanuit de beide groepen afzonderlijk. In plaats van politiek gemotiveerde dwang handelt het hier om mentale dwang. Waarbij beide groepen elkaar uitsluiten, niet in de buurt van elkaar willen zijn. 

De bevoorrechte groep vindt vanuit het meritocratische principe dat er geen sprake is van maatschappelijke tweedeling, laat staan apartheid. In Nederland heeft iedereen gelijke rechten en kansen. Hier  is iedereen gelijk, wat wordt bevestigd door artikel 1 van de Grondwet. De niet bevoorrechte groep vindt wel dat maatschappelijke tweedeling bestaat, misschien zelfs wel apartheid. De mindere sociaaleconomische positie wordt vooral door anderen veroorzaakt. Lees Theodore Dalrymple: Leven aan de onderkant. Het systeem dat de onderklasse in stand houdt.

De cultuurfilosofie  maakt een onderscheid tussen Gesellschaft en Gemeinschaft. Onder het eerste verstaat ze de maatschappij van allerlei rangen en standen, onder het tweede de samenleving van burgers in Nederland die ondanks alle verschillen het idee en het gevoel hebben dat ze bij elkaar horen. Met het verdwijnen van de traditionele religies (protestanten en katholieken) uit het publieke domein en het maatschappelijk discours is Nederland meer een maatschappij van calculerende burgers geworden en minder een gemeenschap van mensen. Daar staat weer tegenover dat in Nederland wellicht nooit sprake is geweest van een samenleving, gezien het eertijds verzuilde karakter van de maatschappij. 

Christendom en islam zijn anti-apartheidsideologieën. Het middelbaar beroepsonderwijs is een emancipatorisch anti-apartheidssysteem.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten