De andere helft van de leerlingen vindt Nederlandse Literatuur
juist wel interessant. Met name ook de literatuur van vóór 1880. Om beide
groepen leerlingen tevreden te houden sta ik juist wel triviale lectuur in de
boekenlijst toe. Zij het met mate: hooguit twee van de twaalf nummers. Anders
zou de echte literatuur in de verdrukking komen. Deze aanpak maakt het voor
mijn lessen ook mogelijk om het verschil tussen triviale lectuur en literatuur
te laten zien. En om de leerlingen via de sluiproute van lectuur (chicklits,
pseudo-literaire thrillers) in aanraking te brengen met de high culture van dé literatuur.
Ik verplicht de leerlingen om van elke literaire periode, - dat zijn
er sinds Heynric van Veldeken (12e eeuw) ongeveer zeven -, minstens
één werk te lezen. Zoals de meeste lezers wellicht niet bekend zal zijn, is Van
Veldekes’ Eneasroman, de eerste hoofse roman in
het Nederlands. Van Veldeke baseerde het werk op de Oudfranse Roman d’Eneas, die op zijn beurt teruggaat op Vergilius’ Aeneis.
Ziet u het historische lijntje? Dat krijgen de leerlingen ook als leerstof in
mijn lessen aangeboden.
Ik breng ze niet
alleen het genieten van moeilijke en aanvankelijk saai lijkende literaire
werken bij, maar ook historisch besef. Als beeld houd ik mijn leerlingen steeds
voor dat ze niet als hagedissen van onder uit een steen zijn komen gekropen,
maar als dwergen op schouders van reuzen staan. In het Latijn: Nanos gigantum
humeris insidentes. Met
andere woorden, op basis van uitvindingen en ontdekkingen van vóór hen, vinden
de leerlingen later de wereld verder uit. En doen nieuwe ontdekkingen.
Literatuurlessen
horen niet te blijven hangen in literatuur én lectuur van onze tijd, maar
moeten leerlingen kennis doen nemen van boeken van vóór hun tijd. Van ver voor
hun tijd. Wie jongeren dat onthoudt, doet hun tekort.
Deze
tekst, als bijdrage aan de literatuurlesdiscussie die in deze krant gevoerd
wordt, werd niet geplaatst door het
Brabants Dagblad.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten