dinsdag 9 oktober 2018

Afscheidsblog Gerard Sanberg

Behalve onze sociale interesse in het welbevinden van de werkende mens – beiden hebben we immers deel uit gemaakt van de Ondernemingsraad, delen we onze liefde ook, om moet ik zeggen: vooral? – voor de taal. Dat we bij elkaar honderden blogs op Ons Plein geschreven hebben, is sommigen van jullie wel bekend. We hadden beiden een verschillende invalshoek: Gerard schrijft en schreef over het mbo in uitvoering, ik schreef over alles wat ik in mijn werkend leven en ver daarbuiten tegen kwam. Hij schreef gemakkelijk en ik schreef moeilijk. Hoe Gerard schreef was dus veel moeilijker dan hoe ik schreef; immers, moeilijk schrijven is uiteindelijk makkelijker en makkelijk – lees eenvoudig – schrijven, dat is pas moeilijk! Om met Cruijff te spreken: je gaat het pas zien als je het begrijpt. Gerard schrijft speciaal voor iedereen, om eens een bekend slogan van de NTR te gebruiken. https://www.youtube.com/watch?v=kWaiN4KfJI4

Gerard geeft in zijn columns een aansprekend beeld van ons hedendaags beroepsonderwijs, en dan speciaal de sector techniek. Dat deed hij al jaren voor onze koning Willem-Alexander dat deed. Die verwaardigde zich pas aan het begin van het schooljaar ’18-’19 om naar het mbo te komen kijken. In deze tijd van krapte op de arbeidsmarkt, vooral ook in de technische beroepen, krijgen veel mensen nu pas in de gaten hoe fundamenteel van belang het werk is dat onze mbo’ers later gaan doen. Gerard zegt dit al jaren in zijn columns, maar tot de buitenwacht klonk deze boodschap tot voor kort niet voldoende door. Trouwens, om nog even op die moeilijk-makkelijk-kwestie terug te komen. Het werk dat onze mbo’ers straks gaan doen is vele malen moeilijker, want verantwoordelijker dan wat pennenlikkers zoals ik doen. Elektriek, gas en water moeten goed zijn aangesloten; een stopcontact, een cv-ketel, een kraan moeten goed want veilig gemonteerd zijn. Daar mag niets fout mee gaan, maar of mijn stukje tekst wel of niet gelukt is, daar zit niemand verder mee, want niemand blijft eraan hangen, zoals aan een niet geaard stopcontact. Ik spreek wat het laatste betreft uit een ongelukkige ervaring.

Nog even wat moeilijks, maar dat was volgens Cruijffs onnavolgbare syllogismen,
weliswaar met veel weggelaten premissen,  juist gemakkelijk, dus wees niet bevreesd. Als stukjesschrijver met een zware linguïstische deformatie gewerd mij iets opvallends – taalkundig gezien – in Gerards familienaam. Daarin doen zich verschillende fenomenen voor. Zijn familienaam is een toponiem, maar naar welke plaats de naam verwijst, weet ik niet. Er zijn / waren vele Zandbergen in Nederland en Vlaanderen. Gezien Gerards hoge arbeidsethos[1] gok ik op Zeeuws-Vlaanderen: Zandberg bij Hulst, maar ik meen van hem vernomen te hebben dat hij uit Den Haag stamt.o)

De goede lezer en luisteraar is natuurlijk direct opgevallen dat ik Gerards achternaam de D ontbreekt: dat taalkundig verschijnsel heet elisie. Voor de uitspraak wat ongemakkelijke klinkers of medeklinkers worden weggelaten. Zijn achternaam is iconisch in die zin dat in die naam Gerards meesterschap in het schrijven zichtbaar is: namelijk de kunst van het weglaten. In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister, volgens de oude Goethe.[2] Het is echter niet uitgesloten dat in plaats van de D (als stemhebbende medeklinker) de T (als stemloze medeklinker) wordt weggelaten. De oorspronkelijke schrijfwijze kan immers Santberg zijn geweest. De kans daarop is zelfs groot, gezien de S waarmee de achternaam begint:
sanberg. Zowel de S als de T zijn immers stemloos. Als je misschien niet weet wat het verschil is tussen een stemloze en een stemhebbende medeklinker, dan moet je bij het uitspreken van bijvoorbeeld de T en vervolgens bij de D je vlakke vinger eens tegen je keel houden – ongeveer ter hoogte van het midden: bij de T voel je geen trilling, bij de D wel: stemloos – stemhebbend dus. Volgens de fonetiek hebben medeklinkers de neiging om te assimileren: een beetje op elkaar te gaan lijken.
Moeilijk? Welnee, makkelijk, want mocht mijn verhaal niet kloppen dan is er nog geen man overboord. Behalve als ik er les in geef. Wat ik ook daadwerkelijk deed. Daarom sta ik voor de correctheid van deze tekstpassage in!
Wie schrijft die blijft, zo luidt het spreekwoord.[3] Wie afscheid neemt ook, volgens de dichter Rutger Kopland.[4] Je zult nog wel een tijd op de zeepkist blijven staan, Gerard. Het ga je goed!

Tilburg, 11 oktober ’18
Toon van Gestel






[Overigens, over die familienaam en afstamming lichtte later mij Gerards zoon Willem bij; dat wil ik de geachte luisteraar niet onthouden: De naam is Zweeds (bijna een anagram voor Zeeuws, toch?). Omstreeks 1770 kwam ene Ake Sanberg uit Zweden werken voor de Zweedse ambassade in Den Haag, en daar komt onze familietak vandaan. Je hebt gelijk over de ontbrekende d/t overigens: in Zweden bestaat onze vorm 'sanberg'  eigenlijk niet, maar Sandberg komt vaak voor. Dat is waarschijnlijk gewoon een schrijffout bij de immigratie geweest...]
[1] Doordenkertje: In Zeeland wonen veel calvinisten. Volgens Max Weber in zijn Spirit of capitalism and protestant ethic heeft een hoog arbeidsethos te maken met een calvinistische achtergrond. Dat heeft met het religieuze angstbeeld van de predestinatie te maken: de mensen zijn tot heil of tot verdoemenis voorbestemd. Maar hoe kun je dat weten: paradoxaal genoeg door je aardse succes. Hoe harder je werkt hoe groter de kans dat je succesvol wordt, hoe groter de kans op eeuwig heil. Probleem is echter dat Gerard niet calvinist, zelfs niet katholiek is. Hij is niets, maar vindt dit genoeg.
[2] 'In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister." (1802): "In de beperking toont zich pas (voor de eerste keer) de meester."  Toelichting: Goethe verwijst hier op de verhouding meester - gezel (leerling; in Duits 'Geselle'); met de Meister-Prüfung (meesterproef of Master-proof, de proef om de Master-titel (tegenwoordig Master of Art (M.A.) of Master of Science (M.Sc.) door bijv. het aanleveren van een thesis, concept of ontwerp) toont de leerling dat hij gerijpt is tot volwassenheid en zijn 'gelijke' vindt in zijn voorbeeld, zijn meester. Hij bewijst voor het eerst zelfstandig met de succesvolle voltooiing van zijn werk(stuk) de proeve van meesterschap. De leertijd van scholier/leerling is voltooid, de volwassenheid (rijpheid) is letterlijk en figuurlijk bereikt. De volwassen meester heeft geen toeters en bellen meer nodig, maar beperkt zich ("beschränkt sich")  tot het wezenlijke, het essentiële bij zijn meesterproef. 
[3] Wie zijn zaken goed documenteert, loopt op termijn minder risico. Ook nadat een schrijver is overleden, kunnen zijn werken nog gelezen ...
[4]
Weggaan kun je beschrijven als
een soort van blijven. Niemand
wacht want je bent er nog.
Niemand neemt afscheid
want je gaat niet weg.

donderdag 8 december 2016

PS

Als middertiger zette ik mijn eerste aarzelende schreden in ons middelbaar beroepsonderwijs, de ruggengraat van de maatschappij. Het waren de jaren tachtig. Mijn nieuwe werk op de toenmalige Streekschool maakte mij geleidelijk aan na een wat nerveuze start enthousiast, maar na een aantal jaren voor de klas werden oude aspiraties en ambities wakker. Tegen mijn vijfenveertig begon ik mijn werk in het onderwijs soms te ervaren als een noodzakelijk kwaad. Deze wat cynische perceptie was niet te wijten aan de kwaliteit of het niveau van mijn werk. Die scepsis lag vooral in mijzelf: ik koesterde ambities die ik niet kon (of wilde?) waarmaken. Of ik koesterde de verkeerde ambities. Of ik koesterde ambities waar ik nog niet aan toe was. Ik beschouwde me soms als de verkeerde persoon op de verkeerde plaats en in de verkeerde tijd.

Een omslag in het denken over mijn werk werd gemarkeerd door een magnifieke midlife crisis, een term die rond die tijd opkwam. Achteraf bezien magnifiek, omdat mijn geest net als het geloofszaadje in het evangelie van Mattheus moest sterven om opnieuw geboren te worden. Het waren de jaren negentig. In die tijd raakte of was al de term burn-out in zwang, maar ik weigerde mijn toestand als A Burnt-out Case (Graham Greene) te laten kenschetsen. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw heette het nog de managersziekte te zijn, maar omdat ik geen manager was, herkende ik me daar ook niet in. Integendeel, de term midlife crisis zat me eigenlijk gegoten als een jas, - ik was tenslotte vijfenveertig -, ofschoon die bij tijd en wijle ook wel wat knelde, vooral bij de schouders. Maar daar drukte ook een juk, want zo’n bestaanscrisis was natuurlijk geen pretje. Maar allure had die wel, vond ikzelf. Dat bleek ook uit het onorthodoxe medicijn waarmee ik behalve met veel fietsen en wandelen de bestaanscrisis te lijf ging. Ik vond een adequaat medicijn in: 

La Divina Commedia, de Goddelijke Komedie, van Dante Alighieri.
Het boek beschrijft de queeste van Dante, die loopt van de hel, via het vagevuur naar de hemel. Het begin van de reis wordt door de wetenschap gesteld op 7 april van het jaar Onzes Heeren 1300, de vooravond van Goede Vrijdag. Het begint met de onsterfelijke regels: 
Op het midden van onze levensweg
Bevond ik me in een donker woud
Omdat ik van de rechte weg was afgedwaald.
Ach, hoe moeilijk is het onder woorden te brengen
Hoe woest en ruw en onbegaanbaar dat woud was
Wanneer ik eraan denk
Slaat de schrik mij weer om het hart
ETCETERA

Na mijn geestelijke zwerftocht  - mijn bestaanscrisis duurde hoe symbolisch negen maanden -, veranderde haast ongemerkt het perspectief op mijn werk in het onderwijs: ik begon het als een noodzakelijk goed te zien, en belangrijker nog: als zodanig te ervaren. Ik ontdekte nieuwe mogelijkheden en maakte daar ook ruimhartig gebruik van. Werk staat centraal in ons leven, bepaalt wie we zijn en geeft ons dagelijks leven structuur, een doel en mogelijkheden. En zo eindigde ik als een docent in dat vermaledijde mbo, die tot op het laatst fluitend naar zijn werk fietste.

maandag 17 oktober 2016

Utopie of dystopie?

Een dystopie is een (denkbeeldige) samenleving met louter akelige kenmerken waarin men beslist niet zou willen leven. Je wilt er nog niet dood gevonden worden. Een dys-topie is daarmee het tegenovergestelde van een u-topie, die juist een bijzonder aangename samenleving voorstelt. De etymologie van het woord utopie duidt echter op de betekenis: plaats of samenleving die niet bestaat, ou-topia, letterlijk: Nergensland. Het voorvoegsel in utopie heeft echter ook de betekenis van ‘goed’ gekregen: eu-topia, waardoor de betekenis van goede samenleving ontstond. 
 
In het leven van de humanist Thomas More (1478-1535) zijn vormen van beide bovengenoemde concepten, utopie en dystopie, terug te vinden. In zijn boek Utopia beschrijft hij de ideale samenleving op een denkbeeldig eiland met puur egalitaire verhoudingen, waarin privébezit en machtsmisbruik niet voorkomen. Maar omdat Utopia toch wel heel erg de rigide trekken van de latere socialistische heilstaat heeft, is het er niet bepaald leuk leven daar. En ook Mores leven in het echt ging bepaald niet over rozen. Als grootkanselier onder Hendrik VIII kwam hij met de van Rome afvallige koning in conflict, die na diens scheiding van Katharina van Aragon tegen de wil van de paus in het huwelijk trad met de hofdame Anna Boleyn. Morus moest dat op het schavot bekopen met het hoofd. In de met de Booker Prize (2009 en 2012) bekroonde boeken Wolf Hall en Bring Up the Bodies worden de bloederige toestanden aan het hof van Hendrik VIII in al hun afschuwwekkendheid met verve beschreven. 

Dit is mijn laatste blog op Ons Plein. Of de pensioengerechtigde leeftijd overdrachtelijk gesproken een utopie of dystopie zal blijken te zijn, zal nog moeten blijken. De werkomgeving die de Onderwijsgroep Tilburg en haar voorgangers mij de afgelopen ruim dertig jaar hebben geboden was geen van beide en dat was maar goed ook. Ik verwacht dat mijn toekomstige leven als pensionado mij noch utopie noch dystopie zal brengen. En dat is maar goed ook. Lieve, beste collega’s bedankt. 

Toon van Gestel






zaterdag 8 oktober 2016

PIZ4 / De Nederlandse docent moet orde leren houden

Vorige week maandag door de gemoedelijke Utrechtse binnenstad terug naar het Centraal Station wandelend, kreeg ik van een student nrc.next in handen gedrukt met de vriendelijke vraag of hij mij de krant mocht aanbieden. Het was de enige krant die hij bij zich had. Het was geen reclameactie of zo. Graag nam ik het blad van hem aan, ofschoon ik meestal de oudere broer lees. Zag de jongeman dat ik docent was? Kon hij dat aan mijn uiterlijk, fysionomie en kleding zien? Waren die ruim dertig jaar voor de klas van mij af te lezen? Vast wel. Evenals het waar is, zoals Martin Gauss beweert, dat baasjes op hun hond gaan lijken en vice versa, zo gaan beroepsbeoefenaars op den duur het uiterlijk aannemen dat bij hun professie of vak past.
 
‘De Nederlandse docent moet orde leren houden’, kopte het nrc.next-artikel dat ik later las in de trein. ‘Het is vaak een zooitje in onze schoolklassen. De discipline van de Nederlandse leerling is erbarmelijk, aldus de OESO. Docenten gaan op cursus om daarmee om te gaan’, schreef de lead bij het artikel. In een rapport over het onderwijs in Nederland schrijft de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling van 35 rijke landen) dat ons land het laagste scoort wat disciplinair onderwijsklimaat betreft. Daarentegen is volgens het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) het onderwijs in Nederland koploper in burn-outklachten. Ruim een op de vijf docenten heeft er last van. Klopt dat cijfer ook voor onze schoolorganisatie? 

Overigens scoort het Nederlands onderwijs volgens hetzelfde OESO-rapport inhoudelijk wel goed. Door onze typisch Nederlandse didactische werkvormen werkt de ogenschijnlijke chaos in de klas niet al te negatief door op leerprestaties en leerresultaten. We polderen in ons onderwijs heel wat af. Bij onze bewuste keuze voor samenwerking in groepjes met bijbehorend onderling overleg hoort nu eenmaal enige reuring. En voor de trage opstart van veel Nederlandse lessen moet je als docent enige acceptatie ontwikkelen. Zo kan het worden beleefd als ons geliefde ‘Brabants kwartiertje’.

Het artikel in nrc.next heb ik als discussieonderwerp in de groep (Onderwijsassistenten) gegooid, ter voorbereiding van het taalvaardigheidsexamen Gesprekken Voeren. Heeft dit onderwerp je interesse gewekt en wil je op zoek naar tips & tops: www.degeliefdeleraar.nl.  
Bron: nrc.next maandag 3 oktober ’16, pag. 10-11

zondag 2 oktober 2016

PIZ3 / Rechts & Links

Onlangs hoorde ik mezelf zeggen: ‘Ik wil na mijn pensioen wat terugdoen voor de maatschappij.’ (‘Na mijn pensioen’ is een onlogische en wat ongelukkige uitdrukking, want na mijn pensioen volgt de Grote Vakantie, en dan hoef ik helemaal niets meer te doen.) Een vriend keek van mijn woorden op: ‘Toon, je wordt oud. Vroeger zou je dat nooit over de lippen hebben gekregen.’

Touché! Toen ik jong was, was ik tegen de maatschappij, de bestaande maatschappelijke verhoudingen daarbinnen en de gevestigde orde, het establishment. Voor je veertig volgde je je hart en  was je links, na je veertig gebruikte je je hoofd en werd je rechts, zo luidde het aforisme. Klopte wel denk ik. Toen.

Bij mijn studenten ligt het nu andersom: ze zijn ver voor de veertig, zijn over het algemeen rechts en gebruiken dus hun verstand nu al. Ze zijn zich van hun maatschappij-politieke oriëntatie in termen van links en rechts niet bewust, omdat deze oude tweedeling hun niets meer zegt. Mijn kinderen, in de twintig en in de dertig intussen zijn ook rechts, maar ze zijn zich van geen ‘kwaad’ bewust.

Hoe ga ik hiermee om als oude linkse rakker? Niet, want zoals ik al zei: ik ben zelf ook rechts (geworden;). Moet ik uit de politieke oriëntatie van mijn studenten en mijn kinderen concluderen dat zij hun hart dus niet volgen? Nou nee, want als ik naar werk en opleiding van alleen al mijn kinderen kijk, dan zijn ze beslist maatschappelijk betrokken. Meer dan ikzelf misschien wel. Ze zijn dit echter vanuit een ander maatschappelijk paradigma, dat meer recht doet aan de werkelijke toestand in de wereld, om met wijlen GBJ Hiltermann te spreken. De jonge mensen aan wie ik lesgeef hebben een opleiding gekozen die hen toeleidt naar een positie binnen de maatschappelijke dienstverlening, in casu het onderwijsveld. Naast hun baan(tje), die ze bijna allemaal hebben, doet een deel van hen ook nog vrijwilligerswerk, bijvoorbeeld binnen de scouting. Vaak  snap ik niet dat zij nog tijd hebben voor een studie met daarbinnen een vaak veeleisende stage. Heus waar, er zijn studenten die geen tijd hebben om uit te gaan. Tot opluchting van ouders, dat dan weer wel.

De maatschappelijke betrokkenheid van jonge mensen van nu is gebaseerd op no-nonsense, en niet op de luchtfietserij van ons babyboomers in onze jonge jaren. Wij hadden tijd zat om uit te gaan, om aan een glas bier of lurkend aan een joint de wereld opnieuw uit te vinden. En studietijd was ons toen nog redelijk ruim toegemeten: minstens tien jaar. Vraag maar aan Mark Rutte, onze premier, die volgens de ruime definitie nog net bij de babyboomgeneratie hoort.


zondag 25 september 2016

Op konijnen schieten

Hoe begin jij je werkdag? Ga je eerst mailtjes lezen of begin je gelijk aan de klus die je al dagen als een donkere wolk boven het hoofd hangt? Het verstandigst is het vanuit oogpunt van timemanagement en voorkoming van een werk-gerelateerde  burn-out, gelijk aan je bloedeigen rotklus te beginnen en je babbelzieke collega vriendelijk doch beslist de deur te wijzen. Zet ook je mobiel uit, om niet gehinderd te worden door whatsappjes en andere digitale ruis. 
 
Deze tips komen van een arbeidspsycholoog in de krant (BD), die de lezer nog veel meer tips geeft ter voorkoming van mentale uitputting door werk. Zelf had ik haar tips al eerder aangewend, nog voor ik erover las. Of liever: proberen aan te wenden, want het valt verhip niet mee. Er is discipline voor nodig en dat is niet altijd voorhanden. Maar soms lukt het wel en dat levert steevast een goed gevoel op. Terwijl het eerst urenlang mailtjes, chats en whatsappjes beantwoorden je steevast een onbestemd leeg gevoel oplevert, waardoor je uiteindelijk verzucht: wat heb ik nu al die tijd zitten doen? Alleen maar op konijnen schieten? Er zijn nog genoeg olifanten om te doden. 

Daarom heb ik sinds enige tijd een afbeelding van een olifant op mijn bureau staan, die mij maant eerst aan de gemiddeld drie substantiële klussen te beginnen, waarvoor ik me elke dag gesteld zie. Als eerste neem ik de rotklus die geen uitstel (meer!) verlangt. Als ik die klussen met wisselend succes heb afgewerkt,  - soms moet je een zaak echt over de dag heen naar de volgende dag tillen -, beloon ik mezelf met mailtjes doen. Maar ook hierin tracht ik me te beperken. Daarna ga ik over naar de substantiële klussen, die ik leuk vind om te doen. 

Als docent heb ik echter het geluk dat ik vaak de werkdag mag beginnen met een substantiële klus die geen uitstel verlangt: lesgeven. Of ik het nou leuk vind of niet: die les aan die klas moet worden gegeven. De leuke klussen bewaar ik tot het laatst. Idealiter bezien. Ik sluit mijn werkdag af met mailtjes doen, etc. En ga daar soms thuis nog wel eens mee verder. 

Olifanten doden doe ik natuurlijk niet in het echt, ik schiet zelfs niet op konijnen.

zondag 18 september 2016

Helper’s High

Wie goed doet goed ontmoet, placht mijn goede moeder te zeggen. Als jij wat voor de ander doet, zal die ander eerder geneigd zijn voor jou hetzelfde te doen. Do ut des, zeiden de Oude Romeinen, ik geef opdat jij mij geeft. In deze zegswijze zit echter het aspect van tegenprestatie opgesloten. Er is dan geen sprake meer van het onversneden altruïsme, dat in mijn moeders spreuk was inbegrepen.

Het katholieke geloof schreef de meesten van ons naastenliefde voor: Gij zult (God en) uw naaste liefhebben als uzelf. De Godsdienst van de Vaderen legde de lat hoog. De vraag bleef of je hiertoe wel in staat was in combinatie met je aangeboren driften tot zelfbehoud. Sigmund Freud sprak van de drift tot voedselopname en de seksuele drift. De laatste was niet alleen gericht op de voortplanting, maar ook op de lustbeleving. Ook was het maar de vraag of je (naasten)liefde überhaupt kunt opleggen, laat staan afdwingen. Feit blijft echter wel dat mensen tot naastenliefde in staat blijken te zijn, maar dan uit vrije wil of uit religieuze inspiratie (Gods Woord). Of van nature, die tot uiting komt in de liefde voor je kinderen. Maar dan kun je niet anders. 
 
Kun je ook goed zijn voor je collega’s, of staat je omgang met hen enkel in het teken van functionaliteit? Ieder van ons kent zijn functie- en taakomschrijving en handelt instrumenteel daarbinnen, om zo het beste resultaat te krijgen. Of beste? Goed, want we leggen doorgaans de lat niet zo hoog. Als je goed bent voor je collega’s dan is je handelen niet instrumenteel, maar teleologisch: doel op zich. 

In de loperswereld is de Runner’s High een geliefde ervaring. Van langdurig hardlopen kun je blij worden, omdat je tijdens de loop op den duur in een soort trance geraakt, door de productie van serotonine en dopamine in je brein. Iets dergelijks schijnt te gebeuren, maar dan in veel mildere vorm als je een goede daad verricht. Bij Rotary Clubs is deze kennis gemeengoed. Iets voor het onderwijsveld?

zaterdag 10 september 2016

Onzekerheid

De beste feedback die ik ooit gekregen heb luidde: ‘Wij zijn er zeker van dat je onzeker bent.’ Nu klinkt dit niet naar een advies, maar eerder naar een constatering: er wordt vastgesteld dat een persoon in kwestie anderen overtuigd heeft van zijn onzekerheid. 

Toch heb ik deze vaststelling als een goed advies opgenomen, niettegenstaande dat er een stevige kritiek in doorklonk op mijn functioneren. Ik werd namelijk onzeker over mijn onzekerheid. Ik werd onzeker van mijn onzekerheid. Was ik werkelijk zo onzeker? In de ironische vaststelling van mijn beoordelaars was ook humor te horen. Daarom kon ik er zelfs om lachen, en lachte daarmee tegelijk om mijn onzekerheid, waardoor die minder onzeker werd. Ik werd door deze onzekere situatie paradoxaal genoeg juist wat meer zeker van mezelf.

Kennelijk was onzekerheid niet iets om erg onzeker over of van te worden. Bovendien stelde ik zelf vast dat nogal wat mensen om me heen ook verkondigden dat ze onzeker waren. Waarop ik binnensmonds reageerde, - ik hield mijn constatering (of advies) voor me: ‘Ik ben onzeker over jullie onzekerheid.’ Met die onzekerheid van die mensen in mijn omgeving vond ik het eigenlijk wel meevallen. Te meer omdat er mannen en vrouwen tussen zaten tegen wie ik opkeek. Ik was met andere woorden niet zeker van hun onzekerheid. Daarnaast verzekerden de mensen tegen wie ik opkeek mij dat ik ook wat in mijn mars had en dat ze soms ook van mij opkeken. En ik redeneerde: als ik dan kennelijk volgens anderen over capaciteiten beschik, wat voor zekerheid kan ik dan hebben van mijn eigen onzekerheid? Aan de onzekerheid van mensen die veel in huis hebben, - en sommigen van hen zeggen dat ik dat ook heb -, durf ik wel te twijfelen en aan de onzekerheid van mezelf niet? Vreemd toch. 

Deze vraag heb ik heel lang bij mezelf overwogen. Tot ik mezelf op een dag tegen iemand hoorde zeggen, die vertelde dat hij zich zo onzeker voelde over zijn functioneren, dat onzekerheid bij kwaliteit hoort. Hè?! Ik stond van mezelf te kijken, maar de aanzet tot onzekerheid over mijn uitspraak verdween, toen ik mezelf hoorde redeneren dat mensen die zichzelf niet bekritiseren aangaande hun functioneren, niet onzeker hierover durven te zijn, het niet denkbeeldige gevaar lopen op den duur juist slechter te gaan functioneren. Rust roest. 

Een goede vriendin heeft jarenlang geleefd met een zekere vrees voor ontmaskering: ‘Ooit moeten mensen doorkrijgen dat wat ik doe niet veel voorstelt.’ Niet veel voorstelt! Ze heeft een topfunctie bij de politie.

zondag 21 augustus 2016

LeRAAR

Hugo Brandt Corstius schreef het Opperlands Woordenboek, waarin hij de lezer wijst op opmerkelijkheden die in woorden kunnen liggen opgesloten. Wat opvalt in een woord als volledig is dat er een tegenstrijdigheid in zit, namelijk vol en ledig. Vol en leeg dus. Zo kun je een woord als parterretrap van voren naar achteren lezen en weer omgekeerd. Een palindroom dus, de Oude Grieken hadden er al een term voor. 
 
Wat valt je nu op in het woord leraar? Wel het eindigt op raar, dat op zichzelf al een zelfstandige betekenis heeft, die je op allerlei associaties kan brengen. Je denkt bijvoorbeeld aan die gekke leraar op de middelbare school die altijd witte sportsokken droeg, of de docent die tijdens de les altijd net iets te lang naar bepaalde meisjes bleef kijken. Nimfijnen. 

Waar komt dat achtervoegsel, suffix geheten in de taalkunde, vandaan? Het is bijna hetzelfde als naar in molenaar. Maar deze vergelijking doet mij de lezer op een verkeerd spoor belanden. Het suffix in beide woorden is namelijk aar. En dit vinden we in talloze andere woorden terug, vaak in namen van beroepen, bijvoorbeeld makelaar. Het achtervoegsel heeft de betekenis van persoon die een bepaalde handeling of activiteit verricht

Het woord docent komt uit het Latijn en betekent iemand die onderricht geeft. Het is bijna een homoniem (gelijk woord voor verschillende dingen, zoals bank) op de e na. Decent (ook uit het Latijn) betekent fatsoenlijk. Een decent persoon is iemand die zich netjes gedraagt. Het grappige is dat er toch een verband in betekenis bestaat tussen docent en decent. Althans in de ogen van het grote publiek: mag de maatschappelijke status van leraar tegenwoordig laag zijn, de waardering voor de persoon achter de docent is groot. Deze wordt als betrouwbaar en in en in fatsoenlijk beschouwd. 
Het criminaliteitscijfer onder Nederlandse leraren is miniem; nette dames en nette heren die leraren. Of dat op Sicilië ook zo is daarover heb ik geen bronnen.

maandag 18 juli 2016

Metablog V / Ga zo door en gij zult spinazie eten

Vanavond weet ik niet waarover te schrijven. Dat is lastig, want ik zit tegen een zelfverkozen deadline aan te hikken. Vroeger zou ik daar zenuwachtig van zijn geworden, maar tegenwoordig vind ik het vooral spannend. Benieuwd waar ik nu weer uit ga komen. Want dat er iets op papier gaat komen staat vast, tenzij een meteorietinslag mij het woord ontneemt. Om mezelf een makkelijk einde te ontnemen wens ik je nu in plaats van in de laatste alinea alvast een fijne vakantie toe. Je hebt het verdiend! 
 
Vandaag is eindelijk de zomer begonnen na een maand lang gekwakkel. De schrijfnood moet bij blogger dezes wel erg hoog zijn als hij het weer moet aangrijpen om verder te kunnen gaan. Ik raad je dan ook aan om te stoppen met lezen, want deze column wordt niks. De inhoud ervan past grappig genoeg wel goed bij het vakantiegevoel dat ik steeds weer koester in de zomermaanden. Lekker landerig lui niets doen. Geen gestress en gejaag richting verre oorden maar gewoon thuis. Om uiteindelijk als ik het niets doen beu ben, wat te gaan ondernemen. Dat kan van alles zijn. Zo zag ik mezelf een dag later ooit op een mooi strandje in de Algarve liggen. Beetje impulsief geboekt, maar daarom des te leuker. 

Deze zomervakantie start ik tegen mijn gewoonte in actief: ik ga naar de Achterhoek om me een weekje te verdiepen in Spinoza. Vorig jaar heb ik met mijn Spinozaclub tijdens een weekje buiten de Ethica doorgenomen en dit jaar richten we onze geest op zijn Theologisch-politiek traktaat. Het weekje Achterhoek is vooral gezellig en comfortabel. Het hotel is prima en de omgeving rustgevend groen. Maar ik steek er ook nog wat van op. Ik ga zo door en ik zal hopelijk spinazie eten.

maandag 11 juli 2016

Een beetje van jezelf en een beetje van Maggi

Als er één reclameslogan is die getuigt van inzicht in het menselijk gedrag, is het die van Maggi wel, schrijft een co-blogger. De werkelijkheid is dat bijna alles ‘van Maggi komt’, maar dat je zelf net kunt doen of het helemaal door jou gemaakt is. Praktisch alle producten zijn prefab of bake-off, maar reclamemakers bieden de consument graag de illusie (‘beleving’ volgens marketeers) dat hij zelf zijn soepje maakt: Een beetje van jezelf, een beetje van Maggi. En wie rijdt er nog op zijn landkaart van A naar B? GPS toch? Een andere lezing van de bekende slogan verstaat deze als een beetje water bij de wijn doen. 
 
De ondernemingsraad en het college van bestuur palaveren nu al een schooljaar lang over de vakantieregeling, bij de laatste beter bekend als de onderwijsregeling. Als je zo het voorstel leest van de ondernemingsraad vergt het enig concentratievermogen om het in al zijn finesses te doorgronden. Maar eigenlijk is de kwestie doodeenvoudig. College van bestuur en de ondernemingsraad verschillen van inzicht over het handhaven van de 7 weken zomervakantie. Volgens de bestuurders vallen deze moeilijk te matchen met minimaal 40 lesweken, terwijl de ondernemingsraad van mening is dat deze moeten gelezen worden als maximaal 40, waarbij in beide gevallen het aantal studiebelastingsuren 1600 blijft. 

Kunnen we de illusie van de reclameslogan ook opwekken bij beide kemphanen in zake het vakantiedossier? Natuurlijk weet iedereen die in het onderwijsveld werkzaam is al lang dat zijn werkelijkheid praktisch helemaal prefab is, dichtgetimmerd als het is door kwalificatiedossiers en ander ambtelijk fraais. En nu is daar weer Focus op vakmanschap. Je hebt als school verdomd weinig meer in te brengen wat autonomie betreft, ofschoon de onderzoeksrapporten en advieslichamen anders suggereren. Brave new world. College van bestuur, doe wat water bij de wijn!

zaterdag 2 juli 2016

PIZ (2): Wanneer je van je collega houdt

Te veel mensen die goed kunnen samenwerken is slecht voor de werksfeer, schrijft Arnon Grunberg in een recente column. Omdat je je collega’s doorgaans niet zelf gekozen hebt en ook niet door hen uit je eenzaamheid verlost wenst te worden , mag je je het recht voorbehouden zich tot hen te verhouden als tot het kantoormeubulair. Ook voor deze mensen dient plaats te zijn in een organisatie. Je kunt ook niks hebben met collega’s. Grunberg zet de zaak graag op scherp, iets wat mij voor hem inneemt.

Kun je ook van collega’s houden? Het kan. Wat ik kan bevestigen doordat ik zelf met een collega getrouwd ben. En ik ken minstens nog twee collega’s  die samen hetzelfde lot zijn beschoren. De verhouding tot een collega is complex. De verhouding met een collega nog complexer. Omdat mijn partner meestentijds op veilige afstand van mijn dagdagelijkse werk zit, is er geen probleem. Hetzelfde geldt vermoedelijk ook voor bovengenoemd stel. Maar heb je een al dan niet geheime verhouding  met je collega op je werkplek dan kan de affaire erg ingewikkeld worden. Ik heb daar zo schrijnende voorbeelden van gezien, dat het tot ontslag leidde. 

Kun je een collega haten? Dat kan ook. Ik heb daar ervaring mee (gehad). Ik heb daar een zo schrijnend voorbeeld van gezien, meegemaakt dus, dat een goedbedoeld personeelsetentje dreigde te ontaarden in  een heus handgemeen. Gelukkig bleek de ene partij zo verstandig het etablissement voortijdig te verlaten. Persoonlijk vind ik dat mocht het tot een emotionele verdieping van je collegialiteit komen je beter van deze collega kunt houden dan hem of haar haten. Maar het beste voor het bonum commune is natuurlijk de verhouding tot je collega’s vriendelijk doch zakelijk te houden, ofschoon ik God op mijn blote knieën dank dat ik op mijn werk mijn latere vrouw ontmoet heb. 

Een mooie tussenweg is de vriendschap. Zo heb ik zelf twee collega’s, van wie één intussen een oud-collega, met wie ik bevriend ben geraakt. We zien elkaar ook geregeld buiten het werk en doen dan samen leuke dingen, zoals sigaren roken, whiskey drinken en praten over literatuur en het leven in het algemeen.

zondag 26 juni 2016

Associate Degree als hulpmotor

Hoe mijn mbo-leerlingen het in het hbo zullen gaan doen is voor mij een black box. Op een paar uitzonderingen na heb ik geen idee of ze het daar gaan redden. Ruim 90% van mijn leerlingen in hun laatste schooljaar gaat straks naar het hbo. Ik gebruik met opzet het woord leerlingen in het mbo om daarmee het onderscheid met studenten in het hbo ook ‘letterlijk’ zichtbaar te houden. Als ik op recente publicaties hierover moet afgaan, gaat een groot deel van mijn leerlingen het in het hbo niet redden. De cijfers zijn weinig hoopvol om niet te zeggen dramatisch. Trouw schreef vorige week dat nog niet de helft van de voormalige mbo-leerlingen na vijf jaar een diploma van een vierjarige bachelor behaald heeft. Een kwart van hen stopt al na het eerste hbo-studiejaar. 
 
De horde mbo-hbo blijkt voor hen te hoog. Werden ze op hun mbo-school intensief begeleid, zo niet gepamperd, op hun hbo-instelling staan ze er zo goed als alleen voor. Dit wordt bevestigd door oud-leerlingen die ik zo nu en dan spreek. De overgang tussen het op de praktijk gerichte mbo en het meer abstract-theoretische hbo is erg groot. Het leerklimaat op veel mbo-scholen is weinig intellectueel en te informeel. Alles staat ten dienste van het praktisch handelen in het beroep, waarbij vooral instrumentele vaardigheden worden aangeleerd, maar te weinig ervan wordt geabstraheerd door middel van theorielessen en theoretische reflectie. Het laatste is een absolute voorwaarde voor het kunnen slagen in het hbo. 

De verwachting is dat de theoretische eisen voor het beroep alleen maar zullen toenemen en hoger zullen worden, omdat veel mbo-beroepen vanwege automatisering en digitalisering in de toekomst zullen verdwijnen. Dit proces is al in volle gang. Daarnaast hapert de emancipatormotor die mbo en hbo eens waren. Plekken waar vroeger arbeiderskinderen hun vlucht naar voren maakten, om sociale stijgers te worden. Het sociale en culturele kapitaal van thuis ziet in onze tijd de bodem van de schatkist. De thuissituatie blijkt voor veel, ook van mijn eigen leerlingen, dermate complex en staat zo haaks op het rustige en beschaafde milieu op school, dat het voor hen eerder een sta-in-de-weg en een rem vormt voor hun ontwikkeling. 

Het lichtpuntje in deze sombere korte schets vormen de ‘associate degree’-opleidingen die her der in den lande worden ingericht en opgestart. Een opleiding van twee jaar in het hoger beroepsonderwijs in samenwerking met het middelbaar beroepsonderwijs, bedoeld om het gat tussen mbo-4 en bachelorniveau te dichten. Eerdaags gaan wij ook een samenwerkingsverband aan.

maandag 20 juni 2016

Dolce Paula

Telkens als ik mevrouw Sukel zie klinkt in mijn hoofd het liedje uit de verre jaren zestig van de vorige eeuw van de Italiaans-Belgische zanger Adamo: Dolce Paula. Het is een liefdesliedje; wat de songtitel al verraadt. Sommige vrouwen zullen dit begin van een afscheidswoordje bij het vertrek van een vrouwelijke professional werkzaam op bestuursniveau met enig ongemak lezen: zaken gaan immers voor het meisje. Maar vanwege de poëzie die erin in de zinnen doorklinkt, vind ik ze toch op hun plaats. Dolce Paula.
 
Mevrouw Paula Sukel, sinds jaar en dag lid van het college van bestuur treedt terug, doet een stapje terug. Maar, om met de dichter Rutger Kopland te spreken: voor Paula is weggaan een soort van blijven, ‘niemand neemt afscheid want ze gaat niet weg’. Voorlopig althans. Het ligt in de bedoeling dat zij na haar terugtreden een andere plek in de organisatie gaat innemen, zoals dat zo helder verwoord is in bestuurdersjargon. Welke nieuwe hotspot zou dat kunnen zijn? Dolce Paula.

Paula kwam zo’n twintig jaar terug in het college van bestuur van dit nieuwe ROC. Sommigen zeiden dat ze als een van de eerste vrouwen erin geslaagd was door het glazen plafond van een grote onderwijsorganisatie heen te breken. Als excuustruus, zoals dat vilein door anderen werd gesuggereerd. Het eerste was waar, het laatste was slechts een ironisch om niet te zeggen cynisch  statement. Dolce Paula.

Baarde haar aantreden opzien, haar optreden als bestuurslid bleek vervolgens ingetogen. Een stille intelligente kracht. Nuchter maar niet zonder humor, maar die straalt meestentijds alleen vanuit haar ogen.  Ze wenst niet op te vallen, ongeveer zoals oud-politicus Frits Bolkenstein recepties mijdt, want daar heeft hij de pest aan. Paula houdt ook niet van formeel gedoe, waaronder het handjes schudden. Dolce Paula.

Hoe deed ze het als lid van college van bestuur? Van mij als schoolfrik en kritisch OR-lid krijgt ze een acht (cum laude toch), en geen hand maar een zoen tot besluit.

Dolce Paula.




zaterdag 11 juni 2016

PIZ (1)

Nu de datum van mijn pensioen (in het najaar) dichterbij komt, denk ik bij wijze van PIZ-training (Waarom organiseren wij die ook niet?) aan de tijd toen ik in het onderwijsveld binnen kwam gewandeld. Ruim dertig jaar geleden. Afscheid nemen is een beetje sterven, en een PIZ-training is rouwverwerking voor de houdbaarheidsdatum. (PIZ betekent: Pensioen In Zicht.) Een goede vriend van me die als docent Nederlands bij Fontys werkt, heeft onlangs een driedaagse PIZ-training in een luxe wellnessachtig resort bij Maastricht genoten. ‘Het helpt echt!’, was zijn enthousiaste commentaar, want evenals ik vertrekt hij node.  
 
Hoe zag het onderwijs er dertig jaar geleden uit? Welnu, het was kleinschaliger, minder bureaucratisch, minder vervreemdend, maar in de omgangsvormen (docent-student, collegiaal) een tikje formeler. Leuker? Beter? Dat is de vraag. De herinnering is ’s mens’ grootste bedotter. Lees: De heimweefabriek van Douwe Draaisma. Wat in elk geval leuker en beter lijkt is het feit, dat ik toen een stuk jonger was dan nu. Het sneue is dat ik me daar toen helemaal niet van bewust was. Ik was nog volop bezig mezelf uit te vinden, na een wat uit de hand gelopen studententijd. Dat laatste kon toen nog. Langstudeerders zoals ik, Maxim Verhagen en Mark Rutte (ofschoon geen babyboomer)  schoven de tijd van volwassen worden liever voor zich uit. Lees: De adolescentenmaatschappij van de Amerikaanse schrijver Robert Bly. 

Maar goed, het onderwijs toen dus. Er was nog een taakbeleid met ballen, dat niet weg gerationaliseerd was met drogredenen als vrije model en resultaatverantwoordelijkheid. Ik kom hierop omdat vorige week de Tweede Kamer een motie heeft aangenomen waarin ernaar gestreefd wordt om docenten in het voortgezet onderwijs (Het mbo wordt nergens genoemd.) maximaal 20 uur les te laten geven in de week. Door docenten voortaan maximaal 20 uur per week voor de klas te laten staan, zouden ze meer tijd kunnen besteden aan de kwaliteit van het onderwijs. Nu ligt teveel de nadruk op het aantal lesuren in plaats van op de kwaliteit van de les.

Wordt vervolgd. Lees: Van oude mensen de dingen die voorbijgaan van Louis Couperus.


zaterdag 4 juni 2016

Coming out

“Ik heb geen auto en geen rijbewijs en ik ben voornemens zonder auto en zonder rijbewijs te sterven, wat niet wegneemt dat ik af en toe weleens in een auto zit.” Zo begint Arnon Grunberg zijn column ‘Tankstations’ in de VPRO-gids van vorige week. Herkenning: ik heb ook geen auto noch heb ik een rijbewijs. Ofschoon ik in een ver verleden wel honderd rijlessen heb genomen. Nadat ik voor de vijfde keer voor het rijexamen gezakt was, besloot ik mezelf een adempauze te geven. Die pauze duurt nog steeds voort, en is daarmee geen pauze meer maar is van uitstel afstel geworden. Mijn vrouw heeft wel een rijbewijs, evenals mijn drie kinderen. 
 
Mijn eega rijdt al veertig jaar prima en is zo sportief mij mijn ‘klein gebrek’ niet euvel te duiden. Ik zit vaak bij mijn vrouw in haar auto. Naast haar gezeten heb ik al heel wat boeken gelezen. Ik schaam me er nu niet meer voor geen rijbewijs te bezitten, vind het zelfs een beetje stoer. Mijn afwijking maakt me tegelijk bijzonder. En Arnon Grunberg, Jan Siebelink en een prof van Tilburg University die ik toevallig ken, hebben ook geen rijbewijs.  Maar diep vanbinnen vond ik mezelf toentertijd maar een mietje en besloot ik van mijn gebrek een deugd te maken. Ik voerde het milieu als rationalisatie en drogreden op waarom ik geen auto reed, waarbij ik verzweeg dat ik honderd rijlessen had gehad. Menselijk al te menselijk. 

In een bepaald jaar gaf ik taalles aan mbo-leerlingen van de opleiding Autotechniek. Aardige jongens. In hun klaslokaal rook het altijd naar smeerolie. Vond ik lekker ruiken, want ik ben geen autohater. In tegendeel. Als ik auto zou kunnen rijden, reed ik in een Mercedes Sport. Ik wist een jaar lang het onderwerp rijbewijs te mijden, en als de automonteurs in opleiding mij vroegen welke auto ik reed, noemde ik het merk van de auto van mijn vrouw. Dat was toen een Renault 4. Daar lachten mijn automonteurs in de dop wat smalend om. Hadden ze wel gedacht, want ik had in die tijd een ziekenfondsbrilletje op.

maandag 30 mei 2016

Er zij licht

Omdat Huize Van Gestel zowel met een lek kampte als dat de oude analoge elektriciteitsmeter zou worden vervangen door een nieuwe digitale, kreeg het vrijdagmorgen twee monteurs tegelijk op bezoek. Beide oud-leerlingen. De elektromonteur vertelde dat hij nog ‘op de Streekschool’ had gezeten, de installatiemonteur ‘op de Stappegoor’. We wisselden usual suspects uit. Jawel: Berry Mauritz, George van Hoof, Peter van Nuenen en hun kompanen. Niets dan lof. 
 
Op finesses omtrent hun technisch kunnen kan ik niet ingaan, omdat mij expertise en know how ontbreken, op wat marginaal doe-het-zelfgeklungel na. Wel wil ik graag opmerken dat beide heerschappen efficiënt en effectief te werk bleken te gaan, want na korte tijd waren ze klaar met hun klus en functioneerden water en licht weer naar behoren. Ze hadden ook nog tijd voor een praatje en als taaldocent spits je dan de oren. Of de communicatielessen ook hun werking hadden gedaan. Dat bleek in ruime mate het geval.

De elektromonteur sloot zijn missie af met het Bijbelvers ‘Er zij licht.’ (Gen. 1:3) De vrouw des huizes schatte aan de hand van deze woorden in dat de elektromonteur in kwestie uit de buurt van Sprang-Capelle moest komen en ik complimenteerde hem met zijn bijbelvastheid. Daarna legde hij omstandig uit wat hij gedaan had, hoe de nieuwe elektrometer werkte en hoe wij ermee om dienden te gaan: gewoon van afblijven, het ding geeft zelf de meterstanden door aan Essent HQ. De installatiemonteur sprak van een probleemloos geval, dat hij in een oogwenk had weten op te lossen. Bij de ondertekening van de bon, bij de een hard copy, bij de ander digitaal, gingen we er even bij zitten. De installatiemonteur praatte ons op vriendelijke toon bij. De elektromonteur luisterde toe en viel nu en dan bij. 

Hun bezoek ontlokte mevrouw Van Gestel later toen ze weg waren de uitspraak: ‘Wat een aardige jongens toch!’